Is te laat ook echt te laat?

Is te laat ook echt te laat?

De Wet Werk en Zekerheid heeft gezorgd voor vele wijzigingen binnen het arbeidsrecht, met name het ontslagrecht is drastisch veranderd. Op 2 oktober 2015 heeft de kantonrechter Groningen een interessante uitspraak gedaan over het ontslag op staande voet en de vervaltermijn om dit ontslag mogelijkerwijs te laten vernietigen.

Zowel de werkgever als de werknemer kunnen de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen wegens een dringende reden; het zogenaamde ontslag op staande voet. Voorbeelden van een dringende reden zijn: diefstal, drankgebruik tijdens werktijd en bedreiging. Een ontslag op staande voet heeft grote gevolgen voor een werknemer. De werknemer verliest per direct zijn en inkomen, ontvangt geen transitievergoeding en heeft geen recht op een WW-uitkering, omdat hij immers verwijtbaar werkloos is geworden.

Buitengerechtelijke vernietiging

Tot 1 juli 2015 was het voor een werknemer die met een onterecht ontslag op staande voet werd geconfronteerd mogelijk om gedurende zes maanden tot buitengerechtelijke vernietiging over te gaan. In de praktijk gebeurde dit vaak door een brief aan de werkgever te sturen, waarin de werknemer laat weten het niet eens te zijn met het ontslag op staande voet en daarbij verzoekt tot doorbetaling van het loon. Vaak kwam het tot een schikking tussen werkgever en werknemer. Dit heeft te maken met het feit dat de werkgever in een dergelijke situatie niet zeker wist of de arbeidsovereenkomst geldig was geëindigd.

Sinds 1 juli 2015 is de mogelijkheid van de buitengerechtelijke vernietiging komen te vervallen. Het is voor de werknemer nog steeds mogelijk om de werkgever aan te spreken op het onterechte ontslag. Echter, om het ontslag te laten vernietigen dient de werknemer nu altijd een procedure te starten bij de kantonrechter. Dit is niet de enige verandering, ook de termijn waarin de werknemer de nietigheid van het ontslag kan inroepen is verkort. Op grond van artikel 7:686a lid 4 sub 2 BW heeft de werknemer nog maar twee maanden de tijd, in plaats van de gebruikelijke zes maanden, om het ontslag te laten vernietigen bij de kantonrechter.

Uitspraak kantonrechter Groningen

In een kort gedingprocedure bij de kantonrechter Groningen op 2 oktober 2015 vordert een administratief medewerkster loondoorbetaling. De medewerkster is op 15 juli 2015 op staande voet ontslagen en meent dat dit ontslag onterecht is. Indien het ontslag daadwerkelijk onterecht is, is er dus nog sprake van een arbeidsovereenkomst en bestaat er recht op loon.

De kantonrechter stelt vast dat het verzoek van de werknemer om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen op grond van artikel 7:681 lid 1 BW niet binnen de termijn van twee maanden is ingediend. Het ontslag op staande voet kan daardoor niet worden vernietigd en is dus daadwerkelijk beëindigd op 15 juli 2015. De kantonrechter wijst als gevolg hiervan de vordering tot het betalen van loon af. De kantonrechter komt, door het te laat indienen van het verzoekschrift niet, meer toe aan de beantwoording van de vraag of het ontslag op staande voet terecht was gegeven.

Is deze nieuwe vervaltermijn een verbetering?

Vanuit sociaal perspectief is deze wijziging in de wet misschien niet helemaal eerlijk voor werknemers. Veel werknemers zullen niet in staat zijn om het ontslag op staande voet binnen twee maanden aan te vechten. Dit heeft te maken met het feit dat zij veelal niet over de vereiste kennis beschikken. Ook de kosten van het procederen kunnen een probleem vormen, nu betaling van het loon na mededeling van het ontslag op staande voet per direct eindigt. Toch is de wet duidelijk: twee maanden is twee maanden.